Het internet is er voor iedereen
Ruim twee miljoen mensen in Nederland leven met een functiebeperking. Voor hen is een website, een app of een online formulier lang niet altijd vanzelfsprekend te gebruiken. En dat terwijl steeds meer van het dagelijks leven zich online afspeelt, van het aanvragen van een voorziening tot het doen van boodschappen. Digitale toegankelijkheid zorgt ervoor dat iedereen kan meedoen, ongeacht hoe iemand ziet, hoort, beweegt of informatie verwerkt.
Een boodschappenlijstje voor de Jumbo
Paul Otter kan niet zien. Hij werkt met een braille leesregel en met NVDA, een schermlezer die uitspreekt wat er op het scherm gebeurt. Zijn typevaardigheid is hoog, en dat helpt, want zelfstandigheid is voor hem belangrijk. “Er zijn ook spraakgestuurde oplossingen maar die verstaan niet altijd goed wat je zegt”, vertelt Paul. Daarom is snel kunnen typen handiger.
Paul heeft een deel van zijn leven wél kunnen zien. Op zijn 27ste werd hij geopereerd en kon hij kijken. Dat was fantastisch, al moest hij het zien wel leren. Want het ‘ding’ dat hij zag kon hij pas duiden toen hij voelde dat het een kopje was. Zo leerde hij zien. Op zijn 35ste werd hij door een onzorgvuldigheid van de opticien opnieuw blind.
Doordat hij kleuren kent en weet hoe de wereld eruitziet, kan hij zich veel voorstellen bij wat een scherm hem vertelt.
Als alles op het internet goed toegankelijk is voor mensen met een visuele beperking, dan is dat enorm fijn omdat het hem helpt om zelfstandig te zijn. Paul vindt dat enorm belangrijk en hij wil zo min mogelijk afhankelijk zijn van ziende mensen. In een winkel kan hij zelf niets zien, dus werkt hij thuis met een lijstje dat hij meeneemt naar de winkel. De Jumbo in Dronten helpt mensen met een beperking heel goed, vertelt hij. “Dat mag wel eens gezegd worden”, zegt hij. Bij de Aldi neemt hij liever een ziende mee. Zijn telefoon is daarbij onmisbaar. De app BeMyEyes is een uitkomst. “Ik ben eraan verslaafd”, zegt Paul. Met de app kan je een foto maken en de app vertelt wat er op de foto staat. Vervolgens kan je gerichte vragen stellen over wat hij ziet. Hij probeert het op mij uit: “Een vrouw in een lange jurk met halflang haar en witte gympen aan.” Het klopt perfect.
Soms werken digitale functies eerst wel goed en zijn ze ineens niet meer toegankelijk. Zijn KPN-modem kon hij eerst helemaal zelf bedienen, tot een software-update de toegankelijkheid overhoopgooide en hij het netwerk niet meer zelfstandig kon instellen.
Wat een website ook toegankelijk maakt voor mensen met een visuele beperking, is dat functies niet alleen met een muis aan te klikken zijn. Dat is voor hem simpelweg onbruikbaar. Datzelfde geldt buitenshuis: bij de apotheek zit het balkje om een volgnummer te trekken naast de knop, op een aanraakscherm zonder spraak. Hij kan dat scherm niet zien, dus heeft hij geen idee waar hij zich moet aanmelden.
Maar Paul is vindingrijk, en dat moet ook wel. Zoals hij het zelf zegt: in tijd van nood leert men piepers schillen met een bijl. Bij de apotheek heeft hij nu een voelbaar puntje laten plaatsen naast de aanmeldbutton.
Maar de rekening voor die vindingrijkheid ligt nu te vaak bij hem in plaats van bij de makers. Zijn oplossing is even eenvoudig als overtuigend: blinddoek iemand een keer en laat diegene de site of het apparaat gebruiken. Werkt het dan niet? Dan is het niet toegankelijk voor mensen zoals ik. Het lijkt Paul geen ingewikkelde test voor een ontwikkelaar.
Zoeken, doorzetten en dure woorden opzoeken
Robert Docter heeft dyslexie en MS. Hij loopt vooral aan tegen de complexiteit van teksten en formulieren. Met veel zoeken en doorzettingsvermogen komt hij er meestal wel uit, maar eenvoudiger zou een wereld van verschil maken. Teksten zijn vaak zo ingewikkeld geschreven dat hij onderweg alle “dure woorden”, zoals hij ze noemt, moet opzoeken. En omdat Robert niet is opgegroeid met internet, is online navigeren op zichzelf al een zoektocht die veel tijd kost.
Formulieren op websites vormen een eigen hindernis. Voor de aanvraag van een aangepaste fiets moet hij nu opnieuw allerlei gegevens invullen die bij de gemeente allang bekend zijn. Dat levert onnodige drempels op. Gelukkig krijgt hij hulp van Stichting Onder Dak, maar toch zou het fijn zijn als de aanvraag gewoon eenvoudiger was.
Ook chatbots zitten hem in de weg. Die beginnen vaak al iets te vragen voordat hij de site heeft kunnen bekijken. Dat leidt af. Een gesprek met zo’n bot verloopt moeizaam, dus meestal gebruikt hij ze niet. ChatGPT zet hij daarentegen wél regelmatig in, met een gezonde dosis kritisch vermogen: hij weet dat AI-modellen fouten maken, en als hij vermoedt dat een antwoord niet klopt, gaat hij zelf op onderzoek uit.
Wat de wet vraagt
Sinds juni 2025 geldt de European Accessibility Act (EAA). Deze Europese wet stelt toegankelijkheidseisen aan bepaalde producten en diensten, waaronder verschillende digitale diensten zoals webshops en bankdiensten. Daarmee wordt digitale toegankelijkheid niet alleen voor de overheid, maar ook voor een deel van het bedrijfsleven steeds belangrijker. Zo wordt toegankelijkheid steeds meer de normale gang van zaken.
Voor de overheid gold al langer een eigen regel. Overheden moeten in een toegankelijkheidsverklaring laten zien hoe toegankelijk hun websites en apps zijn. Daarvoor gebruiken ze de WCAG-richtlijnen. Dat is een internationale standaard die precies beschrijft wanneer online content toegankelijk is.
Voor wie het verschil maakt
Toegankelijkheid raakt een brede groep mensen, elk met eigen behoeften. Voor mensen met een visuele beperking gaat het om ondersteuning van schermlezers of om voldoende kleurcontrast. Voor mensen die doof of slechthorend zijn om ondertiteling en transcripties bij video en audio. Voor mensen met een motorische beperking is bediening met alleen het toetsenbord essentieel, zonder dat een muis nodig is.
Voor mensen met een cognitieve beperking of laaggeletterdheid helpen begrijpelijke taal op B1-niveau en een duidelijke structuur, precies het punt waar Robert dagelijks tegenaan loopt. En neurodivergente mensen zijn geholpen met een rustige vormgeving en met de mogelijkheid om bewegende content te pauzeren.
Wat je concreet kunt doen
Veel winst zit in praktische keuzes. Geef afbeeldingen een alt-tekst, zodat een schermlezer beschrijft wat er te zien is. Zorg voor een logische koppenstructuur en leesvolgorde. Schrijf duidelijke linkteksten, dus liever “lees het jaarverslag” dan “klik hier”. Geef formulieren heldere labels en begrijpelijke foutmeldingen en vraag niet naar gegevens die al bekend zijn.
Zet informatie bij voorkeur gewoon op de webpagina zelf in plaats van weggestopt in een pdf en als een pdf echt nodig is, maak die dan toegankelijk. Vergeet apps en sociale media niet. Gebruik in hashtags camelCase, waarbij je elk woord een hoofdletter geeft, dus #digitaleToegankelijkheid in plaats van #digitaletoegankelijkheid. Een schermlezer herkent dan de losse woorden en spreekt ze correct uit, in plaats van er een onleesbare brij van te maken. Voeg daarnaast beschrijvingen toe aan afbeeldingen.
Goed voor iedereen
Het mooiste is dat toegankelijkheid zelden alleen de bedoelde groep helpt. Dat heet het curb-cut effect, genoemd naar de verlaagde stoepranden die ooit voor rolstoelgebruikers werden aangelegd en die nu net zo goed handig zijn voor kinderwagens, rollende koffers en fietsen. Ondertiteling die bedoeld is voor dove kijkers, lees je net zo makkelijk mee in een drukke trein. Begrijpelijke taal leest voor iedereen prettiger.
Daarom werkt het ook zo goed om toegankelijkheid van begin af aan mee te ontwerpen, als uitgangspunt en niet als reparatie achteraf. Wie pas aan het eind bedenkt hoe een schermlezer met een pagina omgaat, komt vaak bedrogen uit. Wie het vanaf de eerste schets meeneemt, bouwt iets dat voor meer mensen werkt.
Meedoen begint bij toegang
Digitale toegankelijkheid staat niet op zichzelf. Het is een onderdeel van breder inclusiebeleid en raakt aan iets fundamenteels, namelijk kunnen meedoen in de samenleving. Paul verwijst graag naar Apple, dat onder Steve Jobs toegankelijkheid standaard in zijn apparaten inbouwde. In 2011 bedankte Stevie Wonder, blind sinds zijn jeugd, Jobs daar tijdens een optreden publiekelijk voor. Het bedrijf van Jobs nam de uitdaging aan om zijn technologie voor iedereen toegankelijk te maken, zei Wonder, en hij voegde eraan toe dat er niets op de iPhone of iPad is dat een ziende wel kan en hij niet. De ervaringen van Paul en Robert maken duidelijk waarom dat meer is dan een mooi idee. Waar de een vraagt om schermlezers die blijven werken en knoppen die je zonder muis kunt bedienen, vraagt de ander om taal die je begrijpt en formulieren die niet twee keer om hetzelfde vragen. Het antwoord is hetzelfde: ontwerp met hen mee, van het begin af aan.
En misschien is die blinddoektest van Paul wel de simpelste graadmeter die er bestaat.
